Je bent iets
kwijt dat je heel dierbaar is. Je mist hem of haar heel erg. Je moet maar
steeds aan hem of haar denken. Je voelt je verlaten en alleen. Normaal
gesproken kom je thuis en ga je naar het huisdier. Zodra hij of zij je ziet
merk je aan de ogen dat hij/zij blij is je te zien. Het dier komt naar je
toe, je kunt je pijn en verdriet kwijt. Je bent altijd welkom, ook al heb je
domme dingen gedaan.
Je
voelt de warmte van het lieve wezen, van het dier.
Nu is er alleen
nog maar de kou, het alleen zijn. Niemand die je kan troosten, die je
even dat stukje warmte kan geven.
Het lijkt wel of
er een stuk uit je wezen is geslagen.