|
Jonas Schepens ScheppingsverhaalS |
Op een dag wou de reus wel iets anders doen. Hij wou ook andere levende wezens op z’n planeet. Hij vroeg aan god of hij geen levende wezens kon krijgen, want hij vond het zo saai. God begreep het wel en gaf hem 3 soorten zaden. Het zijn planten zaden, dieren zaden en mensen zaden. Hij zaaide eerst het plantte zaad. Er kwam na een paar maanden een appelboom te voorschijn. Hij kreeg bloemen. Dat vond de reus fantastisch hij hechte zich er heel erg aan. Daarna kreeg de appelboom ook vruchten (de appels). De appelboom groeide en groeide. De reus zag het einde zelfs niet meer. Zijn vruchten waren ook heel groot. Ze waren zo groot als de planeet als de planeet van de reus. De reus was heel erg nieuwsgierig naar wat er uit de dieren zaden kwamen. Eerst kwamen een paar blaadjes te voorschijn. Daarna kreeg de plant ook vruchten. Het waren hele andere vruchten dan die van de appelboom. Ze waren in alle maten en vormen. Toen de vruchten afvielen kwamen ze tot grootte verbazing van de reus tot leven, ze gingen lopen en bewegen. De reus ging met de dieren spelen. Maar de dieren begrepen het niet de dieren konden niet praatten en begrepen niet wat de reus wou doen met ze dachten dat de reus ze op ging eten. De dieren vluchtten in de appelboom, die was heel groot daar konden ze zich goed verschuilen. Ze gingen helemaal naar boven, want ze dachten dat de reus hun nog kon pakken. Ze gingen nog verder daarna, helemaal naar een van de appels. Op deze appel was het nattig en dat vonden de dieren heel fijn. De reus vond dat heel jammer.
De reus had nog meer zaden die van de mensen. Hij zaaide ze. Toen de vruchten (mensen) ook bij deze plant er afvielen kwamen ook deze in beweging en gingen lopen. Deze mensen konden wel praatte maar waren kieskeurig en vonden de reus niet aardig hun vluchtte ook weg. Ook naar de nattige appel, daar waren ook de dieren. Maar de mensen waren slim ze namen alle zaden van de reus mee.
De appels van de appelboom waren rijp en vielen van de boom af ze zweefden nu door die grootte leegte waar nu allemaal appels zweefden. De appels verteerden heel langzaam.
De mensen hadden honger en zaaiden dieren en plantten deze kwamen uit en zo kwamen er planten, dieren en mensen op deze appel leven. De mensen hadden niet genoeg gezelschap en zaaide ook nog mensen erbij.
Alle appels waren verteerd. Het was nu grond geworden. Daar konden de planden extra goed op groeien.
Maar nu had de reus nog steeds geen gezelschap en ding toen van eenzaamheid dood. De appelboom ging ook dood omdat hij geen water meer kreeg van de reus, want die was dood. Nu hadden de wolken ook geen zin meer om op die planeet te zijn, doordat ze niet meer werden gebruikt om te eten. Ze waaiden toen weg naar de appel van die dieren, mensen en plantten, want hun hadden het wel nodig om te drinken van het water wat uit de wolken regende.
De wolken waren aangekomen bij die appel. De wolken gingen heel hard regenen. Zo kwamen er oceanen.
Die vrucht waar al die dieren, mensen en planten leven noemen we nu aarde.
einde
Copyrights
2004 Jonas Schepens
Copyrights 2004, Janne Geraets,